Henri Rousseau (1910) - Tropisch woud met apen
Henri Rousseau werd in 1844 geboren in een arbeidersgezin in Laval, Frankrijk. Hij werkte kort voor een advocaat en diende in het leger voordat hij in 1868 in dienst trad bij een Franse douane. De bijnaam "Le Douanier" (de douanebeambte) bleef hem achtervolgen, zelfs na zijn pensioen in 1893.
Rousseau was een autodidactische schilder, dolende met weinig geld, die droomde van officiële erkenning. Hoewel hij nooit de goedkeuring van de Franse academie kreeg, werd hij wel omarmd door avant-gardekunstenaars uit het begin van de 20e eeuw, waaronder Picasso en de surrealisten, vanwege zijn afwijking van conventionele stijlen. Dit uitte zich in brede, platte kleurvlakken, gestileerde lijnen en fantastische landschappen. Hoewel hij exotische locaties schilderde, verliet Rousseau Frankrijk nooit; zijn oerwouden zijn de dromen van een stadbewoner, opgebouwd uit bezoeken aan botanische tuinen, de dierentuin van Parijs en koloniale tentoonstellingen, en verzameld uit prenten en reproducties.
Tropisch woud met apen werd geschilderd in de laatste maanden van Rousseau's leven. Het toont een van zijn kenmerkende exotische landschappen, weelderig, tropisch en ongerept. Veel dieren in Rousseau's afbeeldingen hebben menselijke gezichten of eigenschappen. De centrale apen in dit schilderij houden groene stokken vast waaruit draden lijken te bungelen, wat duidt op vishengels en menselijke vrijetijdsbesteding, en benadrukt zo de quasi-menselijke ervaring van de dieren. In die zin kunnen Rousseau's geanthropomorfiseerde primaten niet worden gezien als ware wilde beesten, maar eerder als een ontsnapping aan de "jungle" van Parijs en de dagelijkse sleur van het beschaafde leven. In een tijd van koloniale expansie en grootschalige expedities stond de populaire pers vol met beelden van westerlingen die zich op hun gemak voelden in de jungle. Rousseau bewaarde bijvoorbeeld het album Bêtes sauvages in zijn atelier, uitgegeven door warenhuis Galeries Lafayette.
Een van de meest opvallende aspecten van Rousseau's stijl is de vlakheid van zijn onderwerpen. Of hij nu zijn impressionistische tijdgenoten, die zich zorgen maakten over het oppervlak, navolgde, of simpelweg zijn eigen visie volgde, de oerwoudschilderijen van de kunstenaar missen soliditeit, alsof het weergaven waren van theatrale decors. De gigantische bladeren en bloemblaadjes zijn minimaal omtrekkelijk, om het effect van overlappende uitknipsels te creëren. Bovendien lijken zijn wezens doelbewust getemperd door een ongeïnteresseerde behandeling die elk meer als een omtrek dan als een tastbare vorm identificeert.
Naarmate zijn carrière vorderde, associeerde Rousseau zich steeds meer met de avant-garde, en in 1905 exposeerde hij samen met de Fauvisten op de Salon d'Automne. Geleidelijk groeide zijn reputatie en de verkoop van zijn werk nam aanzienlijk toe tegen 1910, toen hij bezweek aan een infectie. Op zijn begrafenis waren Paul Signac en Guillaume Apollinaire aanwezig, die een eigenzinnig gedicht componeerde dat Constantin Brancusi in de grafsteen hakte, en Rousseau zo positioneerde als een onbedoelde peetvader van het modernisme.